Ons Dorp
Toen ons dorp nog klein was waren we gelukkig. We hadden niet heel veel maar ruim voldoende om van te leven. Een paar van ons hadden een beetje meer, maar die stonden dan weer niet aan de voorste mem van de liefde en het leven. Maar de een hielp de ander en zo hielden we met elkaar stand onder de enorme sterrenhemel. Wij steunden elkaar als goede naobers in rouw en trouw.
Idyllisch hè? Ik ben daar niet bij geweest, maar als je de verhalen van de ouderen goed beluistert krijg je vanzelf een beeld. Zo lang ligt de link met die jaren nog niet eens achter ons. Lees je dan ook nog eens een geschiedenisboekje, dan is het alsof je er zelf bij bent geweest. Vandaar: ‘ons dorp’.
Toen ons dorp groter werd ontdekten we dat het handiger was om niet meer alles zelf te doen. Wij besteedden het malen van het graan uit aan een molenaar, het bakken aan een bakker en het slachten aan een slachter. Dan kon de rest van ons gewoon boeren en de zogenaamde ‘grondstoffen’ leveren.
Het was een enorme vondst. En het sloeg zó aan, dat iemand zei: “Lever mij het vlas, dan maak ik in ‘t vervolg de kleren wel”. Een ander looide het leer en een derde maakte er schoenen van. Zo werd alle arbeid verdeeld in ‘ambachten’. Ook kreeg die arbeid ‘waarde’ en wij ontdekten dat waarde heel handig kon worden uitgedrukt in wat we ‘geld’ gingen noemen. Wij ontdekten dat we met dat geld ook de waarde van goederen en grondstoffen konden bepalen. Er waren heren die met dat geld alleen nog maar inkochten en verkochten en op de een of andere manier toch steeds meer geld leken te krijgen. ‘Handelen’, noemden ze dat. Voor hen bakte de bakker de zoetste broodjes, sneed de slachter het zachtste vlees af, weefde de wever de fijnste stoffen en werkte de schoester wekenlang aan één paar elegante laarzen, want dat alles leverde net iets meer geld op.
Zo was iedereen gelukkig want iedereen kreeg steeds net iets meer dan voorheen. Iedereen werd steeds net een béétje ‘rijker’, zoals dat ging heten. Jaren- en jarenlang ging het zo in ons dorp, dat wéér wat groter werd en contacten legde met andere dorpen onder die gigantische sterrenhemel.
Sommigen van ons werden nu zo rijk dat ze het ambacht zèlf konden kopen. Bijvoorbeeld dat van de wevers. In grote schuren lieten ze hen samen werken aan de productie van linnen. In het begin leek dat een aardig idee. Maar de rijken bepaalden nu de waarde van het weverwerk. En vreemd genoeg werd die waarde steeds lager. En zo gebeurde het ook met alle andere ambachten in ons dorp.
Geld en arbeid groeiden als het ware uit elkaar. Voor het eerst kwam er tweedracht in het dorp. Er woedden felle debatten over hoe het beter kon. Sommigen waren voor het geld, anderen voor de arbeid. Een paar maanden geleden keerde de rust terug. Geld en arbeid werden weer ietsje beter verdeeld en de toekomst zag er goed uit.
Maar de laatste dagen is het grote geldgraaien weer helemaal terug.
Geluk is ver te zoeken in ons dorp.
